Jacht en proeven

Het oorspronkelijke werk van de Griffons Vendéens:

De vier rassen van de Griffon Vendéen zijn van oorsprong gefokt en gebruikt voor de meutejacht.
De meutejacht kent verschillende vormen. Eén van die vormen is de Franse Vénerie. Dit zijn doorgaans grote meutes die het wild blijven achtervolgen -vaak met veneurs te paard- tot de trucendoos van het wild leeg is, tot het niet meer kan òf tot het heeft kunnen ontkomen. Het laatste is meestal het geval.

Een andere, meer gebruikte vorm is de ‘chasse à tir’. De honden moeten daarbij in meuteverband (2-8 honden) luid jagend het wild ‘voor het geweer drijven’.
In Frankrijk wordt met de Griffons Vendéens alleen op levend haarwild gejaagd. Vanwege zijn bouw en grootte is de Petit Basset een specialist op konijn, al is hij ook in staat haas en ree te bejagen. Toch kunnen Vendéens meer dan alleen meutewerk. Zij kunnen onder anderen ook het zweetwerk doen en ze zijn in staat gebleken proeven af te leggen die uit verschillende onderdelen bestaan.
De Griffon Vendéen blijkt een veelzijdige gebruikshond te zijn.

Op de eerste 3 zaterdagen van de maand is er de mogelijkheid om zweetwerk te doen,
meer info:  jacht@griffon-vendeen.nl

Foto's: Lenny Kaffa-NanningsFoto's: Martin Cordes

 

 

 

 

 

 

 

 

De Meutejachtproeven
De meutejachtproeven die in Frankrijk en België gehouden worden zijn afgestemd op de ‘chasse à tir’, al wordt er tijdens de proeven niet op wild geschoten.
Bij de Meutejachtproeven worden de honden onder anderen beoordeeld op neusgebruik, moed, vasthoudendheid, samenwerking, uiterlijk en niet te vergeten het op de juiste wijze luidgeven. De Franse en Belgische Meutejachtproeven worden aangeduid met BC van “Brevet de Chasse”. In België wordt eens per jaar een oefendag gehouden voor deze vorm van meutejacht.

Proeven in Nederland
De proeven die tot zover gedaan zijn, zijn de zweetproeven 500m en 1000m, variërend van 24 of 40 uur oud, de Spoorluidproef en uiteraard de Schotvastheidstest.

Foto: Lenny Kaffa-NanningsFoto: Lenny Kaffa-NanningsFoto: Lenny Kaffa-Nannings

De Zweetproeven
Het doel van het zweetwerk is het wild op te sporen dat verwond is (door een schot of ongeval) en vlucht. De verleidelijke geuren die de hond onderweg tegenkomt moet hij negeren. Van de voorjager wordt niet alleen verwacht dat hij zijn hond goed op het spoor houdt door zijn hond goed ‘te lezen’. Ook moet hij bij de aanschotplaats al in grote mate kunnen bepalen waar en hoe ernstig het dier verwond is, en moet hij onderweg aanwijzingen (‘sporen’) kunnen herkennen. Het zweetwerk is niet te onderschatten. Bij de proeven wordt de vluchtroute van het wild kunstmatig (m.b.v. reeënbloed) nagebootst. De honden zijn aangelijnd en zijn in principe niet luid.

De aantekening Zweetwerk wordt aangeduid met Zw-A t/m F, de laatste letters afhankelijk van de lengte en het aantal uren dat het spoor oud is.
In Nederland zijn verschillende mogelijkheden om voor zweetwerk te trainen.

De Schotvastheidstest
Wil een hond in Nederland deelnemen aan een proef of veldwedstrijd, dan zal hij (éénmalig) de Schotvastheidstest moeten hebben voldaan.
In Nederland moet een in de praktijk werkende hond nl. hetzij vóór, hetzij na het schot werken en het is niet werkbaar als de hond er angstig voor is.
De Schotvastheidstest wordt aangeduid met Sv.

De Spoorluidproef
Bij de Spoorluidproef wordt de hond losgelaten in de buurt van de plaats waar zojuist een haas is weggerend. Voorwaarde is dat de hond het haas niet gezien heeft. Hij moet het spoor met zijn neus ‘oppakken’ en uitwerken tot voorbij de eerste haak. Daarna kan hij weer worden aangelijnd.
Beoordeeld wordt of de hond zijn neus goed gebruikt en of hij goed luid geeft.
De aantekening ‘spoorluid’ wordt aangeduid met Sp.

Voor een praktijkbeeld volg deze link:
Zweetproef